Het kleurrijk verraad van ontsnappende warmte

De laatste dag van maart, zeven uur ’s morgens. Theoretisch een lentedag, maar het stormt in de straatjes rond de stadscampus van de Universiteit Antwerpen (UA). De hoge, zwarte huisvuilcontainers staan tegen de gevels klaar om opgehaald te worden. Of beter: stonden. Nu liggen de meeste als gevallen soldaten her en der op het trottoir, omvergeblazen door de wind. Daar waar er een deksel is opengeklapt, verspreidt een bonte stoet afval zich in de goot. Gevulde, blauwe PMD-zakken rollen over straat.

Maar vandaag zullen we het over energie hebben, niet over afval. ‘We’ dat zijn dan Stadslab2050 en Leen Lauriks, docent aan de Faculteit Toepaste Ingenieurswetenschappen van de UA.

We hebben afgesproken voor de deur van het ‘Scribanigebouw’ aan de Prinsstraat 10. Zoals zoveel gebouwen in de buurt, maakt ook dit pand deel uit van de UA Stadscampus.
Twee studenten zijn er al sinds vijf uur aan de slag om het ‘warmtetransport’ in en rond het gebouw in kaart te brengen via thermografie. Robbe Chau en Nikica Kesina zullen zo’n zes dagen nodig hebben om alle metingen uit te voeren. Het onderzoek kadert in hun masterthesis die ze, als alles goed gaat, dit academiejaar zullen afronden onder begeleiding van Leen.

Leen, kun je iets meer zeggen over het uitgangspunt van dit onderzoek?

“Het uitgangspunt valt intuïtief goed te begrijpen. Warmte zoekt koude op. Dat eenvoudige principe zorgt ervoor dat heel wat warmte verloren gaat. De manier waarop we wonen, werken en isoleren speelt hierbij een rol.
Een voorbeeld? Neem de grote winkelassen. De winkelruimtes op straatniveau zijn goed verwarmd maar de verdiepingen erboven zijn vaak koud omdat ze niet gebruikt worden. De warmte zal daar zijn weg naartoe zoeken. Een thermografisch onderzoek kan dan becijferen over hoeveel warmte het gaat en voorstellen doen om dat warmtetransport te vermijden en/of te gebruiken.
Uiteindelijk zijn we in dit Scribanigebouw aanbeland. Het is een interessant onderzoeksobject. De buitengevel is niet heel sterk geïsoleerd en het bevat een mengeling van computerklassen, leslokalen, serverruimtes en kantoren. Die genereren veel warmte.”

Wat hoop je met dit thermografisch onderzoek te bereiken?

“In sé willen we een zicht krijgen op alles wat warmte betreft in dit gebouw. Hoe wordt het gebouw in de praktijk ‘gebruikt’ en wat genereert er dan warmte, hoe verloopt het warmtetransport, waar is er warmteverlies,… We zullen dus minstens te weten komen waar er warmte verloren gaat en op welke momenten van de dag en doorheen het jaar.
Mijn vraag aan de studenten is vervolgens om op basis van die resultaten met ‘zotte’ ideeën en simulaties te komen die dat verlies tegengaan en/of de vrijgekomen warmte beter gebruiken,… ‘Zot’ moet je dan interpreteren als ‘vergeet even alle standaardoplossingen en beperkingen’. Of we finaal tot een energiebesparing komen en hoe groot die zal zijn, zal de toekomst uitwijzen.
Tegelijkertijd zal dit project bijdragen aan het antwoord op de vraag of thermografie warmtetransport volledig in kaart kan brengen. Is dat zo, dan kan de aanpak van Robbe en Nikica de basis vormen voor volgende projecten op dit vlak.”

Dus thermografie staat nog niet helemaal op punt?

“Het is nog niet duidelijk hoe we thermografie exact moeten inzetten om warmtetransport te meten. Er zijn immers letterlijk honderden parameters die daarbij een rol spelen.
Je merkt dat we werken met de ‘afplaktape’ die we allemaal wel eens gebruiken bij schilderwerken. Dat is daar een, misschien wat vreemde, illustratie van. Dit gebouw zit vol glazen wanden en glas reflecteert. Dus als je gewoon op het glas meet, dan meet je zowel de oppervlaktetemperatuur als de reflectiewarmte. Maar die twee parameters willen we nu net uit elkaar houden. Daarom kleven we enkele reepjes ‘schilderstape’ en meten daarop. Het werkt perfect!

Er lopen binnen de UA trouwens nog andere onderzoeksprojecten rond thermografie. Zo hebben we een doctoraatsstudent die onderzoek doet naar de energetische renovatie van historisch waardevolle gebouwen. Dat gebeurt in samenwerking met de stad Antwerpen.
We werken momenteel ook mee aan beleidsondersteunend onderzoek van het VITO. Het betreft een opdracht van de Vlaamse overheid om na te gaan hoe energetische renovaties de binnenluchtkwaliteit van gebouwen beïnvloeden.”

Je bent met dit project ‘uiteindelijk’ in dit gebouw aanbeland zei je bij het begin van het gesprek. Hoe is het project dan geëvolueerd sinds de ontmoetingsruimte ‘Energie’?

“Stadslab2050 en de ontmoetingsruimte ‘Energie’ hebben dit project zonder twijfel sterk beïnvloed. Initieel wilden we veel te breed gaan. We zouden als het ware het warmteverlies van de hele stad Antwerpen even gaan meten. Tijdens de ontmoetingsruimte kwamen we in contact met onder andere het EcoHuis en de technische dienst van de UA. Die gesprekken leerden ons meer gericht te denken.

Uiteindelijk kwam het idee uit de bus om een aantal gebouwen/winkels op de Meir thermografisch te scannen. Zo zouden we mooi aansluiten op het voornemen van het EcoHuis om, na de eerste keer in 2009, opnieuw een dakthermografie van de stad Antwerpen te laten uitvoeren. Zij buiten, wij binnen. Vollediger kon niet.

Voor de dakthermografie zijn de eerste stappen gezet, dus die komt er wel. Maar wij kregen geen toestemming van de winkeleigenaars van de Meir om in enkele winkels aan de slag te gaan. Zeg nooit nooit natuurlijk want in de Kammenstraat bijvoorbeeld hebben ze er wel oren naar, net zoals bij het ‘Quartier National’ dat de winkeliers van de Nationalestraat vertegenwoordigt.

Maar we konden niet wachten want het aspect ‘tijd’ speelt een belangrijke rol in dit type van onderzoek.”

Dat vraagt wat meer toelichting…

“Om het met een boutade te zeggen: we zien de winter graag komen en we zien hem niet graag gaan.
Immers: om tot wetenschappelijk relevante resultaten te komen moeten de verschillen tussen de buiten- en de binnentemperatuur (en als het even kan ook tussen de ruimtes binnen het te onderzoeken gebouw) zo groot mogelijk zijn. Daarom zijn we in de zomer zelden of nooit ‘thermografisch aan het werk ’.
Bovendien past de winter perfect in het verloop van een academiejaar. Studenten kiezen het onderwerp voor hun masterthesis in de loop van oktober, hun onderzoek loopt tijdens de winter en daarna zetten ze simulaties op en schrijven ze alles uit.

”Stadslab2050 beïnvloedde dit onderzoeksproject zeer sterk. Kan het nog meer betekenen? “

Je moet de rol van Stadslab2050 inderdaad niet onderschatten. De ontmoetingsruimte zette ons aan om gerichter te denken zoals ik al zei. Maar er is meer.
Het klinkt raar in de oren, maar als onderzoeker ben je vaak op zoek naar iets maar je weet niet wat. Een thema lijkt je het onderzoeken waard, maar wat het resultaat zal zijn, valt moeilijk te voorspellen. Onderzoeksfunding voor dergelijke projecten ligt niet dik gezaaid…

Een initiatief als Stadslab2050 is in die context zeer welkom. Het ‘experimenteren’ dat eigen is aan Stadslab2050 sluit immers naadloos aan bij ‘zoeken, maar niet zeker zijn van het resultaat’. Zo konden en durfden (nog zo’n Stadslab2050-kenmerk) we dit project aan.
De Stadslab2050-aanpak brengt je als onderzoeker ook buiten je normale kringetje. Je komt in contact met bedrijven, met eindgebruikers, soms met mensen en organisaties uit een totaal andere hoek,… Dat inspireert en stimuleert. Zonder twijfel.
En Stadslab2050 kan nog meer doen. Ik zou het zeer interessant vinden om op geregelde tijdstippen geïnformeerd te worden over de stand van zaken in de andere energie-projecten. Dit zal ongetwijfeld leiden tot een versterking van de lopende acties. Meer uitwisseling van de ervaringen, zal aanleiding geven tot nieuwe ideeën en experimenten en zo leren we verder van elkaar. Daar ben ik van overtuigd.”

Wanneer we het Scribanigebouw verlaten, rijden de vuilniskarren voorbij. Hun ophaalronde zal vandaag iets langer duren…

Abonneer je op onze nieuwsbrief en volg Stadslab2050 op de voet
Abonneer je nu!